Ze brachten Jezus naar een plek die Golgota heet. Dat betekent `Schedelplaats'. Ze
gaven hem wijn met mirre erin, maar hij dronk er niet van. Toen sloegen ze hem
aan het kruis en verdeelden zijn kleren. Ze dobbelden erom wat ieder krijgen
zou. Het was negen uur in de ochtend toen ze hem kruisigden. En het opschrift met
de reden van zijn veroordeling luidde: `De koning van de Joden'. Samen met hem
kruisigden ze twee opstandelingen, de ene rechts, de andere links van hem. De voorbijgangers hoonden hem. Het hoofd in de nek gooiend, riepen ze: `Ha! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red jezelf, kom van het kruis af!' Zo dreven ook de opperpriesters en de schriftgeleerden de spot met hem. `Anderen heeft hij gered,' zeiden ze tegen elkaar, `maar zichzelf redden kan hij niet! Laat de Christus, de koning van Israël, van het kruis afkomen! Als we dat zien, zullen we geloven.' Een van de misdadigers die aan het kruis hingen, begon hem ook te beledigen: `Ben jij niet de Christus? Red dan jezelf en ons!' Maar de ander wees hem terecht: `Zelfs jij vreest God niet, terwijl jou hetzelfde vonnis treft? En wij worden terecht gestraft, het is het loon voor onze daden, maar deze man heeft niets kwaads gedaan.' En tegen Jezus zei hij: `Jezus, denk aan mij, wanneer u in uw koninkrijk komt.' En Jezus zei tegen hem: `Ik zeg u: vandaag nog zult u bij mij zijn in het paradijs.' Bij Jezus' kruis stonden zijn moeder met haar zuster, en ook Maria, de vrouw van Klopas, en Maria van Magdala. Toen Jezus zijn moeder zag en bij haar de leerling die hij liefhad, zei hij tegen zijn moeder: `Dat is nu uw zoon,' en tegen zijn leerling: `Dat is nu je moeder.' Van die dag af heeft de leerling haar bij zich in huis genomen. Toen het twaalf uur was geworden, viel er een duisternis over het hele land en het was donker tot drie uur in de middag. En om drie uur riep Jezus luid: `Eloï, Eloï, lema sabachtani?' Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten? Een paar omstanders die het hoorden, zeiden: `Hoor, hij roept om de profeet Elia.' Iemand ging een spons halen, doopte die in water, stak die op de punt van een stok en wilde hem laten drinken. `Wacht,' zei hij, `laten we eens zien of Elia komt om hem eraf te halen.' Maar Jezus gaf een luide schreeuw en stierf. En het tempelgordijn scheurde in tweeën, van boven tot onder. Toen de officier die recht tegenover het kruis stond, zag hoe Jezus stierf, zei hij: `Werkelijk, dit was de Zoon van God!' Op een afstand stonden ook vrouwen toe te kijken, onder wie Maria van Magdala, Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en ook Salome. Zij waren toen Jezus nog in Galilea was, altijd met hem meegetrokken en hadden steeds voor hem gezorgd. Er stonden nog veel meer vrouwen die met Jezus naar Jeruzalem waren gekomen. Het was al avond geworden, die dag, en het was de dag van de voorbereiding, dat wil zeggen: de dag voor de sabbat. Daarom waagde Jozef van Arimatea het naar Pilatus te gaan en hem om het lichaam van Jezus te vragen. Jozef was een vooraanstaand lid van de Hoge Raad. Het was een man die gespannen uitzag naar het koninkrijk van God. Pilatus was verbaasd te horen dat Jezus al gestorven was. Hij liet de officier roepen en vroeg hem of Jezus al dood was. Toen de officier dat bevestigde, zei Pilatus dat het lijk aan Jozef kon worden afgegeven. En Jozef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis af, wikkelde hem in het linnen en legde hem in een grafkamer die in de rotsen was uitgehouwen. Toen rolde hij een steen voor de ingang van het graf. Maria van Magdala en Maria, de moeder van Joses, gingen kijken waar Jezus was neergelegd. De volgende dag, de dag na de voorbereiding op de sabbat, gingen de opperpriesters en de Farizeeën samen naar Pilatus en zeiden: `Heer, wij herinneren ons dat die bedrieger bij zijn leven heeft gezegd: Na drie dagen zal ik door God worden opgewekt. Kunt u geen opdracht geven het graf te beveiligen tot de derde dag? Want anders komen zijn leerlingen zijn lichaam ongemerkt weghalen en dan zeggen ze tegen de mensen: God heeft hem uit de dood opgewekt. En die laatste leugen zou nog erger zijn dan de eerste.' Pilatus antwoordde hen: `U krijgt wachters. Ga dan het graf beveiligen, zo goed als u kunt.' Zij gingen naar de grafkamer en beveiligden die door de steen te verzegelen en er wachters bij te plaatsen. Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala, Maria, de moeder van Jakobus, en Salome balsems om daarmee het lichaam van Jezus te zalven. Heel vroeg, op de eerste dag van de week, toen de zon opkwam, gingen ze naar het graf. Ze zeiden tegen elkaar: `Wie moet de steen voor de ingang van het graf nu voor ons wegrollen?' Maar toen ze keken, ontdekten ze dat de steen was weggerold; hij was heel groot. Ze gingen de grafkamer binnen en zagen aan de rechterkant een jongeman zitten, in het wit gekleed. Ze stonden verstijfd van schrik, maar hij zei tegen hen: `Schrik niet! U zoekt Jezus, uit Nazaret, die gekruisigd is. Hij is door God opgewekt, hij is hier niet. Kijk, dit is de plaats waar ze hem hadden neergelegd. Maar ga nu en zeg tegen de leerlingen en tegen Petrus: Hij gaat jullie voor naar Galilea. Daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie gezegd heeft.' Ze gingen naar buiten en vluchtten, weg van het graf, in grote verwarring. Ze trilden van angst. Ze vertelden er niemand iets van, zo bang waren ze. Toen Jezus in de vroege ochtend van de eerste dag van de week was opgestaan uit de dood, verscheen hij het eerst aan Maria van Magdala, de vrouw uit wie hij zeven demonen had gedreven. En zij ging het vertellen aan hen die altijd bij Jezus geweest waren en die nu om hem rouwden. Ze geloofden er niets van, toen ze van haar hoorden dat hij leefde en dat ze hem had gezien. Daarna verscheen Jezus in een andere gedaante aan twee van zijn leerlingen, toen ze buiten de stad waren. Zij keerden terug om het de anderen te vertellen, maar ook zij werden niet geloofd. Later verscheen Jezus aan de elf leerlingen, toen ze aan het eten waren. Hij verweet hun dat ze zo ongelovig en hardleers waren. Want de mensen die hem gezien hadden na zijn opstanding, hen geloofden ze niet. Toen zei hij tegen hen: `Trek de hele wereld door en maak aan alle schepselen het goede nieuws bekend. Wie gelooft en zich laat dopen, zal gered worden, maar wie weigert te geloven, zal veroordeeld worden. Toen Jezus, de Heer, was uitgesproken, werd hij opgenomen in de hemel, en hij nam plaats aan de rechterzijde van God. De leerlingen trokken eropuit en maakten overal het goede nieuws bekend. De Heer werkte met hen mee en bevestigde de boodschap door de wondertekenen die hun woorden begeleidden. |
De kruisiging van Jezus en zijn opstanding uit de dood volgens Mattheus, Markus en
Lukas |